De laatste jaren is er in de thuiszorg veel veranderd. Wijkverpleegkundigen geven aan dat ze zich vervreemd voelen van hun vak en bovenal het gevoel hebben hun cliënten niet goed te kunnen verzorgen. Er is weinig tijd voor psychosociale begeleiding en de taken van wijkverpleegkundigen zijn versmald tot verpleegtechnische handelingen. De wijkverpleegkundige kan de kwaliteit van zorg niet meer waarborgen, ook al omdat er steeds lagere niveaus van verzorgenden worden ingezet en de wijkverpleegkundige het gevoel heeft geen tijd te hebben om hen te coachen. Voor cliënten betekent dit dat zij zorg krijgen van veel verschillende zorgverleners, omdat hun indicatie opgeknipt wordt in handelingen. Ook krijgen zij zorg van steeds lager opgeleide zorgverleners en ervaren zij een gebrek aan regie terwijl zij daaraan juist grote behoefte hebben. Zij ervaren dat wijkverpleegkundigen moeten werken ‘met de stopwatch in de hand’, waardoor ze weinig aandacht durven vragen voor vragen op psychosociaal gebied die ze vaak ook hebben.
Ondanks deze demotiverende factoren beoefenen wijkverpleegkundigen het vak met zoveel liefde dat ze naar mogelijkheden blijven zoeken om weer grip op hun werk te krijgen en aan hun professionele standaard te voldoen. Van de professionals komt de vraag om ondersteuning bij de zoektocht naar mogelijkheden om binnen de grote organisatie toch kleinschalig te kunnen werken, geïntegreerde zorg te kunnen geven en samen te kunnen werken met andere disciplines. Dit alles vanzelfsprekend binnen bepaalde organisatorische en financiële kaders, maar minder gehinderd door allerlei regels, procedures en richtlijnen.